Johns in Popular Flying

Deze blogpost is deel 3 van 3 in de reeks Terug naar Cultuurwetenschappen

Vanmiddag bij de koffie (en achter de laptop) schoot me ineens te binnen dat de man achter Captain W.E. Johns – creator of Biggles en The Biggles Information Web Site er nog een heel stel meer heeft. En daar zit er eentje bij die geheel gewijd is aan Popular Flying. Johns was founding editor van dat blad (oprichter-hoofdredacteur klinkt mij toch iets minder in de oren). In het eerste nummer, het april 1932, dat op 16 maart verscheen, maakte ook Biggles zijn debuut in The white Fokker.

Vanmiddag had Popular Flying om een andere reden mijn belangstelling. Op de site van Roger Harris zag ik namelijk dat hij een korte inhoudsopgave had gemaakt van elk nummer. Dat wist ik wel maar ik had er nooit zo bij stilgestaan. En daarbij ook iedere keer een samenvatting van een paar regels over The editor’s cockpit. Ik had al uit de biografie By Jove, Biggles! van Jennifer Schofield en Peter Berresford-Ellis begrepen dat Johns die cockpit van hem soms gebruikte om ongezouten kritiek te leveren op zijn regering.

En ja hoor, in de twee nummers die ik per toeval opensloeg was het allebei raak, mei 1933 en juni 1936. Niet mals, zo te lezen en nieuwsgierig makend. Want ik ken Popular Flying alleen van meetings van de I.B.A. Soms liggen er nummers in een kleine tentoonstelling. Ze zijn echter zo oud dat ik ze nooit durfde te openen, laat staan te lezen.

Nou had ik van de week al mijn medebestuursleden ingelicht over mijn plan met Johns als publieke intellectueel en wat ik vanmiddag las maakt dat zin om aan het project te beginnen. Eindelijk weer eens een (semi-)wetenschappelijk artikel schrijven om me te revancheren voor mijn niet geheel geslaagde masterscriptie over Biggles en Arendsoog. Niet dat ik daar nou een trauma aan heb overgehouden. Het was vooral dat ik al zo ongeveer eeuwige student was en mijn scriptie tot overmaat van ramp niet vlotte. Ik heb vooral ritme nodig in zo’n geval, maar dat lukte totaal niet, bijvoorbeeld omdat ik hoofdstukken vaak moest herschrijven. Nu dus een herkansing. En het mooie is, ik weet al ongeveer wat ik wil gaan schrijven. En tijdens mijn studie heb ik wel geleerd dat ik de beste resultaten haalde wanneer ik snel een idee had waar ik enthousiast van werd. Dat had ik bijvoorbeeld bij mijn bachelorscriptie, maar niet bij mijn masterscriptie. Afijn, dat komt nog wel een keer. Voor nu is het belangrijkste dat ik voor dit verhaal wel een idee heb waar ik enthousiast ben. En of dat nu in Biggles News Magazine verschijnt of hier. We zullen zien.

Maar eerst Mossyface. Ik lag vandaag echter op schema dus ik heb Roger Harris alvast een mailtje gestuurd.

Wordt vervolgd…

~~~~

Afbeelding: Popular Flying no 1, april 1932. Bron: Popular Flying Magazine

Uitdaging gewoontes

Deze blogpost is deel 8 van 8 in de reeks Gewoontes

Sinds 1 januari dit jaar vul ik elke avond voor ik mijn laptop afsluit en naar bed ga mijn projectenlijstje in. Projecten klinkt in mijn geval wat duur maar zo had Elja het bestand genoemd en dat heb ik aangehouden. In mijn geval staan er 10 dingen op het projectenlijstje. Dingen die ik elke dag wil doen. Klinkt uitdagend, valt wel mee. Zo heb ik er voor de zekerheid op staan dat ik mijn medicijnen in moet nemen. Een minuut werk maar het af moeten vinken creëert een extra check. Dat geldt overigens ook voor de andere dagelijkse gewoontes. Als het die dag niet is gelukt mag ik geen groene 1 plaatsen. Er zijn grotere rampen maar dat mooie groene veld met al die enen motiveert wel.

Toch is het me in al die maanden nog steeds niet gelukt om een dag bij alle vakjes een groene 1 neer te mogen zetten. Altijd ontbreekt er wel eentje, of twee. Dat heeft er ook mee te maken dat ik twee dingen voorlopig uitstelde maar ik die wel in het schema liet staan. Afvinken gaat niet en dat zorgt voor een wit vlak. Vandaar dat ik vandaag twee vervangende activiteiten bedacht waarmee ik vanaf morgen dagelijks wil beginnen. De eerste is bloggen en de tweede is een cursus waar ik hopelijk op het werk, voor de I.B.A. en hier baat bij heb. Dan kleuren die vakjes weer groen.

Er is overigens nog een reden waarom tien dagelijkse gewoontes niet indrukwekkend hoeven te zijn. Ik leerde van Barbara Oakley in A mind for numbers een handigheidje om uitstelgedrag te voorkomen. Stel je hebt huiswerk. Je moet iets met hoofdstuk 7. Wat werkt dan het meest motiverend? Maak de opdrachten van hoofdstuk 7? Of werk aan hoofdstuk 7? Ik denk het laatste. Oakley noemt dat product vs process. Product kan aanvoelen te veel hooi op je vork. Terwijl je met denken aan het proces gewoon kunt beginnen en dan vaak nog verbazend ver komt ook gewoon omdat het risico kleiner is dat je niet begint omdat je er als een berg tegen de hoeveelheid werk opziet. Die truc gebruik ik ook in mijn projectenlijstje. Ik hoef geen vijftig pagina’s per dag te lezen, maar ik wil wel elke dag een boek/e-reader in de hand hebben en gewoon wat lezen. Vier pagina’s zijn dan ook prima. En het werkt. Tot nu toe heb ik dit jaar meer gelezen dan in jaren.

Maar goed, terug naar het projectenlijstje. Het lukt me maar niet om een dag alleen maar groene enen te krijgen. En dat terwijl ik de laatste tijd zo veel over gewoontevorming gelezen heb. Daarom – en omdat ik wat speciaals wilde doen bij deze 250ste post op blog – wil ik kijken of ik al mijn mijn kennis over gewoontes in kan zetten om groene enen te krijgen. Op internet circuleert een artikel dat stelt dat het ergens tussen de 18 en 254 dagen duurt tot een activiteit een gewoonte is geworden. Wendy Wood haalt dat onderzoek ook aan in haar boek Good habits, bad habits. Maar ze haalt ook een ander onderzoek aan dat mij hoopvol stemt. Bij onderzoek naar mensen die bloed doneren, bleek dat dit vanaf ongeveer 40 keer een voortdurende gewoonte wordt.

Veertig keer iets doen dus tot het een gewoonte is. En laat het nu vanaf morgen nog 44 dagen duren tot 1 juni. Dus wil ik tot en met 31 mei 44 dagen vol met groene enen. Ik doe hier verslag, morgen maak ik een pagina aan. En omdat ik niet te streng voor mezelf wil zijn: Leo Babauta stelt dat een gewoonteverandering geslaagd is bij minstens 75% tot 80% van de dagen succes. Dat wil dus zeggen: 33 dagen. En dat is mijn doel.

Achtergrond

In 2015 deed ik mee met een blogreeks van Peter Pellenaars over Zen Habits – Mastering the art of change. En ik schreef eind dat jaar een vervolgreeks over hetzelfde boek. Gewoontes bleken de afgelopen jaren nogal een invloed op mij te hebben gehad. Daarom nu een hernieuwd onderzoek met daarbij ook de boeken The power of habit van Charles Duhigg en Good habits, bad habits van Wendy Wood.

~~~

Afbeelding van Michele Walfred via Pixabay

Thuiswerken: hoe het bevalt

Al sinds de eerste persconferentie van Mark Rutte naar aanleiding van de coronacrisis werk ik thuis. Mijn baas stuurde me meteen na afloop een appje: blijf deze week maar thuis. En dat werden er steeds meer naarmate de maatregelen strenger werden. Ik was er blij mee. Natuurlijk niet met corona maar wel met thuiswerken. Vanwege mijn handicap ben ik afhankelijk van het openbaar vervoer. Dat betekent buurtbus, trein en bus. Veel risicomomenten dus die ik liever vermijd.

En ik had het vermoeden dat ik best thuis kon werken. De taken zijn overzichtelijk. We hebben geluk werk want we zitten niet in een sector die plat ligt door corona. Nee, het is zelfs druk. Komt ook omdat dit traditioneel gezien de drukste tijd van het jaar is en er daarnaast een groot project loopt en er zich als de week eenmaal loopt altijd wel dingen voordoen die mijn aandacht vragen. Ik verveel me niet en ik kan thuis prima vooruit. Elke dag wel wat telefoontjes, appjes of mailtjes op en neer naar het werk en ik hoef me niet te vervelen.

Dat blijven we voorlopig dus maar zo doen. En ik begon de afgelopen dagen net te merken dat ik me zo goed voel. Ik ben introvert en een werkgever en een collega zijn extravert. Dus thuiswerken is lekker rustig. En het scheelt per dag drie uur reistijd. Misschien moet ik als dit allemaal afgelopen is toch eens kijken of ik niet een dag thuis kan werken. Vandaag moest ik dan toch een keer naar kantoor en dan valt het meteen op; een oase van rust thuis en dan de drukte in op kantoor. En dan hebben we het over de telefoon nog niet eens gehad.

Ik vond het natuurlijk geweldig om na vijf, zes weken mijn collega’s weer eens te zien. Maar wat was het na afloop heerlijk rustig thuis. En wat heb ik een zeeën van tijd over nu ik niet meer al die tijd in de bus of trein zit. Meteen klaar zijn met werken als ik eind van de middag afsluit, tijd over houden om te kunnen wandelen, lezen of te bloggen. Eigenlijk is dat aspect nog helemaal zo gek niet.

~~~

Afbeelding van TheDigitalWay via Pixabay

Wie was de bekendste Egyptoloog van de 20e eeuw?

Deze blogpost is deel 2 van 2 in de reeks Mossyface

Grote kans dat je antwoord ‘Howard Carter‘ is. Ontdekte hij niet in november 1922 het graf van Toetanchamon? Helemaal juist dus hij zal wel de bekendste Egyptoloog van de 20e eeuw zijn? Een plausibele aanname, maar had niet veel gescheeld of het was heel anders gelopen en ik ga hieronder uitleggen hoe dat dan zit.

In de biografie By Jove, Biggles! uit 1981 van Peter Berresford-Ellis en Piers Williams over Captain W.E. Johns staat te lezen dat het boek Mossyface in 1932 verscheen. Het was een verhaal met vier ingrediënten: het oude Egypte, luchtvaart, jacht op een oude schat en een liefdesgeschiedenis. Gezien de timing van eind 1932 werd wel aangenomen dat dit verhaal over Mossyface, Egyptoloog Augustus Graham en zijn dochter Mary mee wilde liften op de populariteit van Biggles en het oude Egypte.

Het klinkt aannemelijk

Toch is er een kleine kanttekening te plaatsen bij dit scenario. Dat doen Jennifer Schofield (zoals Piers Williams in 1993 echt blijkt te heten) en Peter Berresford-Ellis in heruitgaves van de hun biografie. Johns had tegen het einde van zijn leven een lijst opgesteld met boeken die hij had geschreven. Die lijst kenden zijn biografen in 1981. En Johns heeft het allemaal keurig opgeschreven. Maar er staat: Mossyface 1922. Johns zal zich wel hebben vergist. Dat moest 1932 zijn, denken zijn biografen. Tot in de jaren tachtig toch een exemplaar opduikt van Mossyface in een uitgave uit 1922. In de woorden van zijn biografen in de editie van 2003 (en vermoedelijk ook die van 1993). “Johns was dead right and we were dead wrong.”

Mossyface verscheen in september 1922 en dus bleek Johns niet alleen gelijk te hebben, Mossyface bleek ook zijn debuutroman te zijn. Of die wetenschap in de jaren tachtig in Biggles-kringen tot grote opschudding heeft geleid weet ik niet. Geloof het of niet, ik was in die tijd met hele andere dingen bezig. Wat in ieder geval duidelijk werd is dat Johns met Biggles in 1932 geen navolger was met het thema luchtvaart in romans maar in 1922 een voorloper.

Het is dat The Week Telegraph Novels no. 121 met daarin Mossyface van William Earle en nog een kort verhaal van een andere schrijver op een slechte kwaliteit papier gedrukt werd en deze uitgave daardoor meer dan zestig jaar in de vergetelheid raakte – behalve bij Johns zelf, maar die zal zich wel hebben vergist – maar soms vraag ik me wel eens af wat er van Biggles geworden was als de carrière van zijn schepper tien jaar eerder al een vliegende start had gemaakt.

~~~

Afbeelding: het grafmasker van Toetanchamon. Bron: Wikipedia.

Taal & Kunstmatige Intelligentie of Cultuur & Letteren?

Deze blogpost is deel 2 van 3 in de reeks Terug naar Cultuurwetenschappen

Als je mij op de middelbare school had gevraagd wat ik wilde worden, dan had het antwoord twee kanten uit kunnen gaan. Ofwel had ik iets met ICT gezegd, of het moest iets worden met taal. Daar was ik namelijk veel beter in. ICT was niet voor mij weggelegd want mijn punten voor exacte vakken waren niet al te best en op de uiteindelijke puntenlijst van mijn eindexamen schitterden die exacte vakken dan ook door afwezigheid. Een carrière in de ICT kon ik dus wel vergeten, of toch niet?

Aan de KUB werd in die tijd aan de letterenfaculteit de studierichting Taal & Kunstmatige Intelligentie aangeboden. En je had er niet eens wiskunde of andere exacte vakken voor nodig. Dat werd mijn studie en dus stroomde ik in 2000 in bij de propedeuse van de letterenopleiding. Uit mijn geheugen was die toen nog zodanig opgezet dat tijdens dat jaar van alle specialisaties een aantal vakken aan de orde kwamen. De specialisaties waren naast Taal & Kunstmatige Intelligentie de richtingen Tekst & Communicatie, Interculturele Communicatie, het nieuwe Bedrijfscommunicatie Digitale Media en Cultuur & Letteren. Van iedere richting kreeg je dus een aantal vakken en daarnaast had je de algemene vakken Taalvaardigheid Nederlands en Taalvaardigheid Engels.

Afijn, het was genieten dat jaar. Ik haalde mijn propedeuse zonder herkansingen met genoegen en vertaalde daarnaast een boek. Ik bleef na enig aarzelen toch bij mijn keuze van de middelbare school en koos na dat jaar voor de richting Taal & Kunstmatige Intelligentie. Maar dat viel tegen: de helft van het eerste semester bestond uit grammaticavakken en als ik het gevoel had ergens op de middelbare school genoeg van gehad te hebben, was dat wel van grammatica. Om het nog erger te maken: van de andere vakken begreep ik weinig.

Na dat semester heb ik de knoop dus doorgehakt en ben ik gestopt met Taal & Kunstmatige Intelligentie. Maar wat dan: Interculturele Communicatie ging het niet worden wat dat waren de vakken waar ik tijdens mijn propedeuse de slechtste punten voor had gehaald en dat kwam ook omdat het me het minst interesseerde. Bedrijfscommunicatie Digitale Media viel ook af omdat het me te massaal leek. Bleven over: Tekst & Communicatie en Cultuur & Letteren. De punten lagen ongeveer gelijk en bij de eerste keuze zou ik meer colleges krijgen van Jan Renkema, dat sprak wel aan. Toch viel de keus op Cultuur & Letteren. Ik had nog geen blog en nooit schriften vol gepend. En Cultuur & Letteren ging over boeken en literatuur en die hebben altijd mijn belangstelling gehad. En meer colleges van wijlen Hugo Verdaasdonk zag ik niet als een straf. En misschien had ik er ook nog wat aan voor Biggles-vertaalhobby.

Cultuur & Letteren dus.

~~~

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay

Ik wil gaan spreken van…

Deze blogpost is deel 1 van 1 in de reeks Ovidius - Metamorphosen

…een epos dat misschien geen epos is maar wat dan? Het is een boek dat 15 boekrollen beslaat en veel gedaantewisselingen heeft ondergaan.

Is het een leerdicht, een geschiedenis? Is het beide? Is het imitatie of nieuwdoen?

Die term komt niet van mij maar van vertaalster M. d’Hane-Scheltema en het boek waarover ik het heb is Metamorphosen van Publius Ovidius Naso (43 v. Chr. – 17 n. Chr.) In deze vreemde tijden waarin ook O tempora, o mores uit mijn examenonderwerp misschien van toepassing is, kies ik toch voor een optimistischer geluid dat wij in de vijfde bestudeerden. Want in deze tijden schijn je terug te grijpen naar klassiekers. Jaren geleden was al van plan iets te gaan met dit werk van Ovidius maar toen ben ik niet verder gekomen dan een aanloop en een inleiding. Nu wil toch verder komen.

Ik weet nog niet hoe ik ga het doen. Het zijn 15 boeken – boekrollen. Maar als ik iedere week 1 boekrol bespreek, is dat ongeveer 25 pagina’s per week in een stuk van vijfhonderd tot duizend worden. Dan wordt het zo’n verdunde hap dat ik misschien net zo goed niets kan zeggen. Dat lijkt me dus geen optie. Aan de andere kant heeft de vertaalster van mijn uitgave cursieve kopjes gebruikt om de verhalen die in elk boek worden verteld te duiden. Maar boek 1 telt al zo’n 24 vertellen op 779 versregels. Die optie kan dus ook een gebed zonder einde worden.

Maar er circuleren op internet andere hoofdstukindelingen en ik denk dat die ga aanhouden. Die geven me ook meer opties. Vertaalster M. d’Hane-Scheltema merkt in haar inleiding over het boek en het leven van auteur Ovidius terecht op dat literatuur in de Romeinse tijd en zeker in de tijd van Ovidius een belangrijkere rol speelt dan tegenwoordig. De opleidingen waren erg alfagericht en retorica speelde daarin een grote rol. Gegoede Romeinse burgers waren dan ook belezen en kenden hun klassiekers. En daarbij was van belang dat dichters lieten zien dat zij ook hun klassiekers kenden. Net een beetje beter dan andere burgers, het was immers hun vak.

Het was niet zo zeer dat dichters in hun gedichten (een epos Metamorphosen is simpelweg een lang gedicht) een origineel onderwerp een moesten snijden. Nee, ze mochten rustig bekende verhalen vertellen, nabootsen of imitatio maar vooral was het van belang dat er aemulatio – verbetering (of ‘nieuwdoen’ in de woorden van M. d’Hane-Scheltema) – te zien voor. Ieder Romeins epos gaat dan ook die strijd aan met voorgangers. En in die traditie kun je volgens mij ook Metamorphosen lezen. En dat ga ik vanaf volgende week hopelijk iedere zaterdag doen: ik ga kijken welk verhaal Ovidius vertelt, gelardeerd met citaten uit de vertaling) en dan kijken hoe dat verhaal (ook elders) verteld is. Daarvoor ga ik misschien gebruik maken van schoolvertalingen op internet, maar dat zien we dan wel weer.

Op die manier krijgen we in de loop van verschillende blogs dus niet alleen zien hoe Ovidius zijn gedaanteverwisselingen vormgeeft, maar leggen we meteen de werking van het in de klassieke oudheid zo belangrijke imitatio en aemulatio bloot door ook te verwijzen naar andere auteurs. En misschien kan ik tussendoor ook nog wat vertellen over hoe Romeinen lazen want daar ben ik ook benieuwd naar.

Terug naar Cultuurwetenschappen

Deze blogpost is deel 1 van 3 in de reeks Terug naar Cultuurwetenschappen

Vorige maand was het precies tien jaar geleden dat ik mijn bul haalde aan de Universiteit van Tilburg. Een master Algemene Cultuurwetenschappen, nadat ik al eerder dezelfde bachelor had gehaald. Het is allemaal een beetje anders gelopen dan ik op die bewuste 25e maart had verwacht en ik ben uiteindelijk in een heel ander vakgebied terechtgekomen. Dat neemt niet weg dat ik het altijd een interessante studie heb gevonden, al moet ik helaas toegeven dat ik door gezondheidsproblemen niet altijd even gemotiveerd was. Maar al met al bewaar ik goede herinneringen aan de opleiding: leuke medestudenten, interessante vakken (al waren ze dat in mijn ogen niet allemaal); boeiende docent en veel literatuur mogen lezen. Mij hoor je niet klagen.

Tegen die achtergrond vond ik het natuurlijk erg leuk om te zien dat Peter gestart is met een bachelor Algemene Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit en daar natuurlijk prachtig over blogt. Dat zette mij aan het denken dat het toch wel jammer is dat ik weinig met mijn opleiding doe. Nou, ik beschouw mijn vertalingen ook als een voortvloeisel uit mijn opleiding, alhoewel ik daar op het gymnasium al aan begon. Het past er in ieder geval bij. En ik lees weer veel, maar misschien wat weinig literatuur. En analyses maken; meer doen dan alleen voor mijn plezier lezen, dat komt er niet meer van.

Toen Peter zijn studie aankondigde begon er bij mij dus wat te kriebelen: meelezen doe ik sowieso, maar wat nou als ik meer ging doen? Reageren op zijn posts, kijken waar het aansluit bij mijn opleiding; wat was in mijn opleiding anders dan de zijne; waar sluit het juist wel aan? Kan ik meelezen met de literatuur? Zo heb ik net na mijn opleiding het verzamelde werk van Louis Couperus cadeau gekregen maar ondanks mijn vaste voornemen om meer van Couperus te lezen nadat ik tijdens mijn studie genoten had van Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan kwam dat er tot op heden niet van. Maar ik lees morgen het boekenweekgeschenk uit en dan begin ik daarna aan De stille kracht, het boek dat in Peters reader werd genoemd en hij nu leest. Zo wil ik dus actief met hem mee gaan doen en zo intertekstualiteit creëren. Ik weet nog niet met wat voor frequentie ik over mijn studie ga bloggen, maar ik hoop regelmatig.

Een ander idee dat ik heb vloeit voort uit de tentoonstelling Biggles en de Keizer die ik vorig met de International Biggles Association mocht inrichten in Huis Doorn. Behalve vitrines, hoorde daar ook een groot televisiescherm bij. Daar was een kort interviewfragment te zien over Johns’ ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. Als aanvulling leek het mij interessant om te kijken naar Johns’ rol in de jaren dertig want behalve dat hij Biggles-boeken schreef was hij toen hoofdredacteur van Popular Flying (in het eerste nummer, april 1932, verscheen het eerste korte Biggles-verhaal The White Fokker). In zijn voorwoorden haalde hij fel uit naar de toenmalige Britse regering, die hij slapheid t.o.v. Hitler verweet. Hij zag Appeasement totaal niet zitten. Dat leek me een aspect om in het museum te belichten en ik had de biografie By Jove, Biggles! van Peter Berresford Ellis en Jennifer Schofield voor een aantal pakkende citaten.

Tijdens het maken van die presentatie moest ik aan de term publieke intellectueel denken. Dat kwam omdat dat een onderzoeksveld is van Odile Heynders, een van mijn docenten en tevens begeleider van mijn bachelorscriptie over uitgeverij De Beuk. Ze had inmiddels ook een boek geschreven over publieke intellectuelen en ze kon mijn vermoeden bevestigen: omdat Popular Flying toentertijd het grootste luchtvaarttijdschrift ter wereld was, was de term publieke intellectueel op Johns van toepassing.

Ik ben dus al tijden van plan om dat uit te zoeken voor Biggles News Magazine, maar het past natuurlijk ook prima in een blogreeks Terug naar Cultuurwetenschappen.

~~~

Afbeelding van Thorsten Frenzel via Pixabay